Ik zie mezelf nog altijd als kleine jongen van zes jaar met mijn vader naar de bibliotheek gaan. Ik herinner me twee plekken in Rotterdam: een kasteelachtig pandje aan de Westzeedijk – toen een filiaaltje van de bibliotheek, nu onderdeel van het Natuurhistorisch museum – en de toenmalige hoofdvestiging aan de Nieuwe Markt, een statig pand. Krakende houten vloeren, kaartenbakken. Met een kaartje daaruit kon je naar een strenge dame achter een balie, die dan mooie boeken ging ophalen. Ik kan de gebouwen nog ruiken, hoor het parket nog kraken en zie mijn vader als een man waar ik nog tegenop keek. Terzijde: hij was één meter vijfenzestig. Dus lang heeft dat opkijken niet geduurd. Maar hij heeft tot zijn dood gelezen. Wat dat betreft: altijd tegenop blijven kijken. Veel over Rusland las hij. Ik denk dat hij stiekem wel wat in de basisprincipes van het communisme zag, trouwens.
Ik leerde behalve lezen nog meer in de bibliotheek. Er was een boek over sterren en planeten. Met een grote afbeelding van een planetoïde die de aarde trof. Dat vond ik vreselijk eng. Heb er jarenlang nachtmerries van gehad. Maar toch maakte die bibliotheek mijn wereld zo ontzettend veel groter. Ik leerde er bovenal de kunst van het verwonderen. En dat er zoveel meer was dan alleen Rotterdam en de mensen daarin. En dat al die mensen verschillend waren. Ik werd er nieuwsgierig en – naar ik hoop – tolerant voor alles wat afwijkt van het dagelijkse beeld. Later leerde ik over planeten en sterren. En was niet meer bang voor die crash.
Ik hoefde dan ook geen seconde na te denken toen mij gevraagd werd of ik interesse had om een bibliotheekopleiding te doen en in de bibliotheek van Capelle aan den IJssel te komen werken. Ik ben degene die me dàt aanzoek deed eeuwig dankbaar . Veel eerder had ik moeten beseffen dat in de bibliotheek mijn leven lag. Mijn carrière was dan waarschijnlijk in een andere stoel geëindigd ;-).
Het werd nìet de bieb van Capelle waar ik na mijn opleiding ging werken, maar door een kronkel in het pad des levens werd het Almere, waar ik tot die noodlottige dag in 2015 altijd met plezier en trots heb gewerkt.
De laatste jaren is het meestal dat ik ‘slechts op bezoek’ in bibliotheken kom. Ik kijk er nieuwsgierig rond en zie kinderen nog steeds gulzig naar boeken zoeken. Of voorgelezen worden door hun ouders, door iemand van de bibliotheek, of door een vrijwilliger. Het is een beeld dat me blij maakt. Lezers zullen over het algemeen wijze mensen worden.
Die bibliotheek bestaat gelukkig nog steeds, ook al staat hij maatschappelijk vreselijk onder druk en moeten we oppassen dat hij door de leiding van zwevende beleidsmakers niet helemaal instort. Over het algemeen valt het voor kinderen nog wel mee met de terugval. Voor volwassenen begint het nijpend te worden. Boeken uit de lange staart zijn al grotendeels uit de openbare bibliotheek verjaagd, de serieuze lezer met zich meenemend.
Aan de achterkant van de bibliotheek vallen de veranderingen het meest op. Marketing is de heilige koe geworden, voor de zoveelste keer moet men leren werken in een nieuwe organisatiestructuur – en in plaats van met boeken bezig zijn, moet modern amusement worden bedacht. Liefst digitaal. Er wordt geblogd en gevlogd voor Master Google. Het is een beeld dat ik bij veel bibliotheken zie. En dat doet mij vrezen. Persoonlijk zag ik liever de laatste cent geïnvesteerd in het vergroten van invloed op scholen en andere plekken waar mensen heel erg gediend zouden zijn met meer leesvaardigheid.
De grootste mentale last wordt gedragen door de mensen die al lang in de ‘frontoffice’ van de bibliotheek werken. Ze krijgen momenteel zware klappen en moeten veel nieuwe, branchevreemde, vaardigheden onder de knie krijgen. Merendeel is ook al niet meer de jongste. Verder lijkt het mij alsof de balans tussen de ideeën: “de bibliothecaris is overbodig, want de burger is zelfredzaam” en “die zogenaamde zelfredzaamheid wordt wel heel erg overschat, ze willen gewoon een mens spreken” – nog lang niet gevonden.
Zelf ben ik een kind van de digitale bibliotheek. Ooit zo gegroeid omdat ik al redelijk kon computeren toen ik binnenkwam. De internetvragendienst Al@din was m’n eerste landelijke klusje. Helaas werd ik hierdoor steeds minder betrokken bij het directe frontoffice werk. Hoewel economisch slimmer, raakte de roeping dus meer en meer op de achtergrond. De roeping voelde ik nog wel een beetje bij de e-books. Al de eerste keer dat ik een iLiad e-reader in handen had besefte ik dat dit een gigantische impact zou gaan hebben op de bibliotheek. Ik beschouw mezelf wel als een van de grote pleitbezorgers voor e-books in de bibliotheek. Nog steeds trots: Almere was de eerste bieb die ze kon aanbieden (hoe beperkt ook). Ik hoop dat ze bij de KB keihard blijven werken aan het nog verder verbeteren en vergroten van dat e-bookaanbod.
In de wereld van de openbare bibliotheek wordt het digitale behoorlijk overschat. Misschien zijn niet àlle digitale dingen even bruikbaar voor de bieb. Hoewel e-books hun plaats hebben gevonden zullen ze in ieder geval bij mijn leven nooit het papieren boek verdringen – iets wat ik lang heb gedacht en gezegd, maar de laatste pakweg vijf jaar in de verste verte niet heb zien gebeuren.
Ik had nog graag meegemaakt dat er één echte ingang op het (mobiele)web kwam, waar je overzichtelijk toegang hebt tot àlles wat niet van papier is. Voor iedereen. Van alle bibliotheken, tegen één duidelijk tarief. Helaas.
Van krakend parket in 1964 naar de one app to rule them all. Dat was het geloof ik wel voor mij in de bieb. Ja. Er is zoveel meer te zeggen. Maar daar heb ik nu even geen ruimte voor…